trök nao "Limburgs: wie sjrief ich det ?"

DE KLEINE oorlogjes
VAN DE S P E L L I N G

Door Guus Urlings

mit 'n alleszègkendje teikening van Jean Gouders

Oet: Dagblad De Limburger,
zaoterdig 20 juli 2013.

Spelling: de schrijfwijze der woorden.
Wie die nuchtere omschrijving in de Dikke Van Dale leest, zal zich weinig kunnen voorstellen bij een uitspraak als 'spelling is oorlog'. Maar toch… Taal is een gevoelig onderwerp, en spellingkwesties - variërend van simpel meningsverschil tot hoog oplopende conflict - zijn van altijd en overal. Ook in Limburg.

Hoe belangrijk is spelling eigenlijk? Voor taalkundigen is het een van de elementen, naast een grammatica en een woordenboek, die de 'standaard' van een standaardtaal vormen. Vrij - en ongetwijfeld kort door de bocht - vertaald: een taal die geen uniform spellingsysteem heeft, mag zich eigenlijk geen echte taal noemen. Maar dat is wetenschap. Hoe zit het met het gevoel? Hoe kijken de gebruikers van een taal tegenspelling aan?

Zonder al te diep te graven: zie de enorme belangstelling voor het Groot Dictee der Nederlandse Taal. Het blijft televisie, natuurlijk, dus show en vermaak, met bekende Nederlanders die op hun bek kunnen gaan en zo. Maar toch… Een van de toppers in de programmering van onze vaderlandse treurbuis gaat over de correcte spelling van het Nederlands. En er wordt de volgende dag bij de koffieautomaat over nagepraat. Zie ook de commotie - ingezonden brieven in de kranten, heftige discussies op digitale forums - als de paddestoel in een paddenstoel verandert, of de pannekoek in een pannenkoek. Dan buitelt iedereen over elkaar heen. Misschien mag dat geen oorlog heten - sommige termen verdragen eigenlijk geen devaluatie - maar het verbale geweld dat in de strijd wordt geworpen, liegt er vaak niet om.

Dat is zeker niet exclusief voor het Nederlands. In het Duitse taalgebied ontstond dezelfde commotie toen in 1998 het gebruik van de Ringel-s (ß) aan banden werd gelegd. En ook rond het Limburgs, onze eigen streektaal, zijn in de loop der jaren heel wat spellingoorlogjes - toch maar die term - uitgevochten.

Even terug naar 5 juni van dit jaar. Toen werd in Roermond de website Limburgse Spelling gelanceerd. Een handig systeem waarmee iedereen kan controleren of de manier waarop hij de klanken van zijn eigen dialect in lettertekens (of combinaties van lettertekens) 'vangt' wel in overeenstemming is met de spellingregels die Veldeke in 2003 heeft vastgesteld. Het was bij die gelegenheid dat Roeland van Hout, hoogleraar variatielinguïstiek aan de Radboud Universiteit Nijmegen en voorzitter van de Raod veur 't Limburgs, zijn gehoor verraste met de uitspraak: spelling is oorlog.

Zo vreemd is dat overigens niet, legde Van Hout uit. Onze schrifttekens zijn een erfenis van het Latijn. Tot die erfenis horen vijf klinkers: a, e, i, o, u. Dat zijn er te weinig om alle klanken van de Nederlandse taal te 'vangen'. Dus heeft dat Nederlands er een aantal combinaties van die oorspronkelijke tekens aan toegevoegd, zoals oe, ou, au, ij, ui, eu. Voor het Limburgs, een uitgesproken klanktaal - dialectoloog Jan Notten omschreef de Limburgers ooit als de Chinezen van Nederland - ligt het nog ingewikkelder, omdat de Limburgse dialecten veel rijker zijn aan klanken en klanknuances dan het Nederlands. Dus werden hier nog meer combinaties van twee, soms drie lettertekens gevormd, ook nog eens 'versierd' met accenttekens, trema's en wat dies meer zij om zelfs de kleinste nuances duidelijk te maken.

Hoewel, duidelijk… Dialectkenner Jan Schuren - pardon, Jan Sjure - uit Linne meldde recent in een column voor deze krant dat hij eens alle verschillende 'klanktekens' - lettercombinaties, accenten en dergelijke - geturfd heeft die in de officiële Limburgse spelling (2003), de Veldeke plaatsnamenlijst (2002) en 29 plaatselijke woordenboeken voorkomen. Hij kwam tot 216 stuks. "Je ziet door de bomen het bos niet meer", mopperde hij.

Let wel: dat is dus na ruim een eeuw discussiëren over een uniforme spelling voor de Limburgse dialecten. In die zin moet de kreet 'spelling is oorlog' ook gezien worden: als een verwijzing naar de lange, vaak moeizame weg die leidde tot de Spelling 2003 voor de Limburgse dialecten. De spelling die nu, tien jaar later, nog steeds als standaard geldt. Maar die toch ook weer niet door iedereen als het enige ware evangelie wordt aanvaard. Daarmee wordt een lange traditie voortgezet.

Tegen het einde van de 19de eeuw werd er al volop in het Limburgs geschreven. Blijkbaar vond men dat belangrijk, dichtte men het dialect een bepaalde meerwaarde toe, vaak als symbool van de eigen identiteit. Discussie over de spelling moet er ook toen al zijn geweest, maar nogal incidenteel, en op schrift is er nauwelijks iets van bewaard gebleven. Voor de vereniging Veldeke, die in 1926 werd opgericht 'tot instandhouding en bevordering der Limburgsche dialecten' , was spelling van meet af aan een voornaam punt van aandacht. Vrijwel meteen barstte het gesteggel los. Tot in 1932 het bestuur van Veldeke een serieuze poging deed om wat knopen door te hakken. In het verenigingsorgaan werd een aantal algemene spelregels gepubliceerd. De Tien Geboden voor het Limburgs, zeg maar.

De meest opvallende: de klank die wordt uitgesproken als de g in het Franse garçon, een klank die het midden houdt tussen g en k, kon volgens de opstellers van de spelregels het best geschreven worden als G, liever nog GG, dus lèGGe (leggen), liGGe (liggen), zèGGe (zeggen). Met hoofdletters, dus.Wat echt niet oogt.

Die eerste spelregels 'werkten' maar kort. Het Veldeke-bestuur voelde al bij voorbaat nattigheid, gezien de mededeling onder de in het verenigingsblad afgedrukte spelregels "dat aan polemieken over de spellingskwestie geen plaatsruimte in deze bladzijden meer kan worden afgestaan." Die polemieken kwamen er - natuurlijk - toch. Zoals ook de in 1953 gepubliceerde nieuwe Aanwijzingen voor de spelling der Limburgse dialecten - waarin de Eijsdenaren hun roemruchte kater naar believen als koäter of kowater mochten spellen, en de Valkenburgers hun brood als broäd of browad - voer voor talloze discussies leverden. Waaronder een langdurige woordenstrijd met de Heerlense dialectoloog Cor Driessen (1914-1989), die in 1956 de zoveelste knuppel in het toch al roerige kippenhok gooide met zijn publicatie Zoeë shrieve vieër Heëlesh Dialekt (Zo schrijven wij Heerlens dialect). De discussie daarover emmerde door tot 1980…

Volgende hoofdstuk: de spellingaanwijzingen die Valkenburger Jan Notten in 1983 in opdracht van Veldeke opstelde. Ook die ontmoetten kritiek, net als de Spelling 2003 voor de Limburgse dialecten die er twintig jaar later uit voortvloeide. Inmiddels was echter in bredere kringen van dialectgebruikers het besef doorgedrongen dat het Limburgs behoefte had aan een uniforme spelling. Die behoefte werd nog urgenter na de officiële erkenning van het Limburgs als streektaal in 1997.

En wie nog twijfelde, werd wel over de streep getrokken toen kort daarna in opdracht van de provincie een officiële lijst moest worden gemaakt van Limburgse plaatsnamen. Dat leverde heel wat geruzie op, bijvoorbeeld in Grevenbicht, dat zich volgens de deskundigen in het dialect Beech zou moeten noemen, maar volgens de inwoners Beeg moest blijven omdat… Nou ja, omdat het altijd zo geweest was. De inwoners trokken uiteindelijk aan het langste eind. Net als die van Spaubeek, die nu toch in Sjpaubik wonen en niet in Sjpawbik.

Hoe belangrijk is spelling? Streektaalgoeroe Wim Kuipers zette ooit boven een pleidooi voor een Algemeen Geschreven Limburgs de titel: Een echte taal verdient een echte spelling. En wie ziet hoe druk mensen zich kunnen maken over de dialectspelling van hun plaatsnaam, kan niet anders dan concluderen dat spelling er wel degelijk toe doet.

Hoe die spelling er dan moet uitzien? De Veldeke-spelling 2003 lijkt inmiddels redelijk onomstreden. Maar toch… Onlangs werd in Weert de nieuwe Woeërdeliêst van het Wieêrterlands gepresenteerd. Daarin is de spelling - in Weert altijd al ingewikkelder, omdat ze daar nóg meer klankverschillen onderscheiden dan in andere dialecten - volgens de samensteller aangepast aan de Veldeke-spelling 2003. Met uitzonderingen. Zoals dat accent circonflexe (het 'hoedje') in woeërdeliêst. Dat houden ze er in Weert mooi in. Want uniform spellen mag dan een waardig doel zijn, in de militaire wereld ontleent het uniform zijn identiteit en betekenis ook aan de onderscheidingstekens die erop zijn aangebracht.

Als spelling dan tóch oorlog is…

trök nao "Limburgs: wie sjrief ich det ?"