trök nao "waem is Jan Sjure ? ?"
D'r zitte dónderkup in de laocht:
het groot Limburgs dictee
en de discussie achteraf.

Oet: Dagblad De Limburger,
maondig 07 november 2005.

Venlo
door Guus Urlings.

Het allereerste Limburgse dictee. Onder die noemer nodigde de stichting Limburgse Literaire Lies dialectliefhebbers uit voor een spellingtest die zich nu eens niet beperkte tot één bepaald dialect, maar het hele brede scala van álle Limburgse dialecten bij de kop pakte
" 't Is hoondeweer: d'r zitte dónderkup in de laocht, 't wèrleecht enhawwend en 't is butje sakkedusjter.''

Het begint meteen al goed. De tweede zin van het allereerste Limburgse dictee -de tweede zin van in totaal 21, allemaal in verschillende dialecten, van 't Kirchröädsj en 't Venrods (Kerkraad en Venrays) tot 't Aelses (Elsloos), 't Wieërs (Weerts) en 't Posters (Posterholts)- roept al meteen een acute verkramping op in het taalcentrum tussen de oren. De betekenis van de zin is op zich duidelijk, zeker voor Limburgers die de term zakkeduuster voor aardedonker vertrouwd in de oren klinkt, en dat butje in deze samenhang 'buiten' betekent, vergt ook weinig taalkundig inlevingsvermogen. Maar hoe schrijf je butje ? Gewoon butje , of bútje , of misschien wel bùtje ? De hoofden van de iets meer dan twintig deelnemers aan het eerste Limburgse dictee buigen zich bij elke zin iets dieper over het proefwerkblaadje. Schrijven, denken, doorstrepen, opnieuw schrijven, toch weer twijfelen...

In de Congreszaal van De Maaspoort in Venlo hangt de sfeer van een eindexamenlokaal. De tafeltjes in strakke rijen opgesteld, zorgvuldig nét buiten afkijkafstand, en voor de klas Limburgs streektaalfunctionaris Pierre Bakkes die als een strenge doch rechtvaardige schoolmeester op gedragen toon dicteert. De zin in gewoon spreektempo, het op te schrijven zinsdeel tot twee keer toe in dicteertempo, dan nog eens de hele zin.
En nóg eens, speciaal op verzoek van enkele deelnemers die menen dat ze nog niet alle klanknuances van de Venlose dicteezin: "Nao Lichtmis velt de snieë op einen heite stein.'' hebben weten te doorgronden. Het valt niet mee.

De Noord-Limburgse deelnemers krabben zich in lichte vertwijfeling achter de oren bij het horen van de zin in 't Mestreechs , waarin sprake is van een levetig zjewielke (een levend juweeltje). En de Zuid-Limburgers op hun beurt hikken nogal aan tegen de Weertse zin: "Vur niks gieët de zón op, vur niks börsj de kat.'' Wat dóét die kat in Weert, en hoe schrijf je dat? En waarom schrijft heel Limburg schieëper of sjieëper als het over een scheper (schaapherder) gaat, maar moet het in het Valkenburgs weer zo nodig een sjièper zijn? Problemen, problemen.

"Een dictee in het Limburgs, terwijl het Limburgs als standaardtaal eigenlijk niet bestaat, is een zware opgave, zowel voor de makers als voor de deelnemers'', zegt Frans Walraven, juryvoorzitter en door de wol geverfd Veldeke-man, als iedereen zijn proefwerkblaadje heeft ingeleverd. Bedoelt hij het als troost, om de scherpste kantjes van een vernietigend juryrapport bij voorbaat weg te vijlen? Misschien. Als de eerste resultaten uit de jurykamer naar buiten sijpelen, blijkt de gemiddelde foutscore op 24 te liggen. Dat lijkt heel veel, voor een dictee van slechts 21 (korte) zinnen, in een gezelschap van mensen die voor het merendeel toch vertrouwd zijn met de officiële spellingregels van het Limburgs, er zeer regelmatig mee werken. Maar Walraven houdt vol. "Met alle valkuilen die er in de teksten opgesloten zitten, moet ik zeggen dat deze score me bepaald niet tegenvalt. Vergeet niet dat het Limburgs qua klankdiversiteit veel complexer is dan bijvoorbeeld het Nederlands.''

"Dat klopt", beaamt de uiteindelijke winnaar van het eerste Limburgse dictee, Jan Schuren uit Linne, die met slechts acht fouten met kop en schouders boven de rest van het deelnemersveld uitsteekt. Hij koppelt daar echter -tijdens de bij spellingcompetities onvermijdelijke discussie 'op de gang'- meteen de vraag aan vast of het wel nodig is dat in de spellingregels voor het Limburgs al die details, al die vaak nauwelijks hoorbare nuanceverschillen een plaats krijgen. "Het zou allemaal nog veel simpeler kunnen en moeten.''

Maar die discussie, bezweert Veldeke-voorzitter Lé Giesen, laten we voorlopig even rusten. Wat er nu aan regels op papier staat, ook al is het soms inderdaad wat ingewikkeld en misschien niet altijd even consequent, heeft al bloed, zweet, tranen en ruzie genoeg gekost.

"Wèntjerwaer en vrouwluujgedach, verangere drie kieër in ein nach'' , zeggen ze in Zöstere (Susteren). Winterweer en de ideeën van vrouwen veranderen iedere nacht drie keer. Met spellingvoorschriften mag dat gerust een beetje minder.

trök nao "waem is Jan Sjure ? ?"